Interview met Robert Pollack

De advocaat van een oligarch overlijdt in gevangenschap onder verdachte omstandigheden. De Raad van Europa zendt twee onderzoekers uit: Christine Lavergne en Steffen Ritterhaus. De getuigen die Christine en Steffen willen spreken, sterven onder verdachte omstandigheden of zijn ineens onvindbaar. Steffen spreekt Russisch en komt tussen de bedrijven door in contact met de ondergrondse organisatie De Taak. De Russische geheime dienst heeft een goed bewaard geheim van Christine in handen. In hét land van de ontkenning worden de twee vakkundig tegen elkaar uitgespeeld. Robert Pollack (pseudoniem van Rob Polak, 1960), de auteur van de literaire thriller De Taak, was partner bij een internationaal advocatenkantoor en lange tijd de vaste advocaat van de Tweede Kamer. Hij weet zijn dossierkennis in klare taal te verwoorden, laat twee verhaallijnen tegen elkaar schuren. En zoals bekend krijg je dan vuur. De macht van geheimen, hoe daarin je integriteit te behouden en tegelijkertijd meer of minder behoedzaam resultaat te boeken.

Robert Pollack: ‘Ik ben voor het eerst in Rusland geweest in 1989, sterker nog: ik was in de Sovjet-Unie toen De Muur viel, in november. Het was een hele exercitie om een dergelijke trip te plannen, vooral als je zoals ik alleen wilde reizen. Je moest vergunningen hebben en mocht bepaalde plekken alleen onder begeleiding bezoeken. Ik werd meteen door het land betoverd, ondanks de duidelijk zichtbare moeilijkheden was er een soort van ontspanning voelbaar. In het dagboekje dat ik bijhield, schreef ik dat het duidelijk was dat het communisme op zijn laatste benen liep. Niemand geloofde er meer in. De prostitutie en de zwarte handel waren overal. Ik ben daar al begonnen met het maken van aantekeningen en fantaseerde erover om een tijdje te gaan wonen in deze intrigerende samenleving. Een paar jaar eerder had ik in New York gewoond en gestudeerd, en daarna in Washington DC gewerkt. Ik had zogezegd de smaak te pakken van een langduriger buitenlands avontuur. Vooral St. Petersburg trok me en toen De Muur was gevallen was het ook gemakkelijker geworden om een verblijf te regelen. Maar het is er niet van gekomen. De fantasie van het daar verblijven als jurist en in aanraking te komen met iets ondergronds, bleef niettemin lang in mijn gedachten. In de jaren negentig heb ik daar al veel over opgeschreven. Pas toen de zaak van de Russische fiscaaljurist Sergej Magnitski naar buiten kwam, kon ik dat verwerken tot De Taak, de voorliggende roman.’

In november 2009 overleed Magnitski in een Russische cel. Naar aanleiding van zijn dood is een onderzoek ingesteld door de Raad van Europa – waar de Russische Federatie ook lid van is – en dat heeft geresulteerd in een rapport van het Committee on Legal Affairs and Human Rights en een resolutie van de Parlementaire Vergadering, waarin onder meer wordt gevraagd om de betrokkenen ter verantwoording te roepen. Magnitski zelf heeft zich tijdens zijn gevangenschap tot het Europese Hof voor de Rechten van de Mens gewend. Na zijn dood hebben zijn moeder en echtgenote die klacht voortgezet. Het Hof heeft onlangs, op 27 augustus 2019, uitspraak gedaan [nadat dit interview plaatsvond – gb].

‘Ik hoorde voor het eerst van de zaak ergens in 2010. En dat was een trigger om er een verhaal van te maken. Als jurist heb ik veel schrijfoefening gehad, maar een processtuk, een brief of een advies schrijven is natuurlijk iets anders dan een verhaal en al helemaal een roman. Om dit boek te schrijven heb ik een aantal zaken moeten afleren. Bijvoorbeeld om niet alles precies te omschrijven, om ook iets aan de verbeelding van de lezer over te laten. Bij processtukken draait alles om de feiten. Het belangrijkste voor een advocaat is goed met de feiten omgaan. Alles moet kloppen, maar je moet een perspectief geven dat gunstig is voor je cliënt, zonder dat je ongunstige feiten weglaat, want dat ziet de rechter meteen. Goed pleiten is ook rekening houden met de sterkste tegenwerpingen van de tegenpartij. Je probeert het zo op te schrijven dat het beeld ontstaat: hij heeft alles in ogenschouw genomen en eigenlijk kun je de feiten alleen maar zo beoordelen als hier gebeurt. Maar wanneer je zo een boek gaat schrijven, dan zal de lezer vrij snel afhaken van verveling en ergernis over de uitleggerige toon. Daarom heb ik veel geschrapt, ook onder invloed van mijn redacteur.’

Zoals gezegd wordt in Rusland categorisch alles wat misgaat ontkend. Er zijn geen nucleaire raketten op Cuba, er is niets mis met de kerncentrale van Tsjernobyl, we weten niets van de Bukraket die de MH17 neerhaalde. De Raad van Europa stuurt juristen in plaats van politici. Het lijkt een op voorhand verloren zaak, wanneer men in die cultuur op zoek gaat naar de waarheid.

‘Ik denk dat de ontkenningscultuur zelfs al teruggaat naar de Tsaristische tijd. Ik heb laatst Anna Karenina van Tolstoj in de nieuwe vertaling van Hans Boland gelezen. Een prachtig boek overigens. En daarin wordt toch ook al veel gesproken over de autoriteiten die botweg gebeurtenissen ontkennen. Communisten waren natuurlijk meesters in het alleen maar erkennen van wat in hun straatje te pas kwam. Totalitaire systemen palmen als eerste de taal in. In principe heb je al verloren op het moment dat je binnenkomt. Aan de ene kant is dat zo, aan de andere kant geloof ik heel erg in het vaststellen van de feiten, zelfs in een maatschappij waarin categorisch feiten verdraaid worden. Dictaturen blijven niet eeuwig bestaan en uiteindelijk – kijk maar naar de kwestie MH17 – worden ze toch getoetst door een onafhankelijke rechter. Ook de onderzoekers in De Taak verzamelen feiten, dat is een belang op zichzelf. “Er is niets zo koppig als een feit,” schrijft Tom Rob Smith ergens in Child 44. Maar zij kunnen en willen geen oordeel vellen. Dat moet gebeuren door een onafhankelijke instantie, die er misschien pas honderd jaar later naar kijkt. Heel veel actiegroepen, zoals Amnesty International, doen dat ook. Je weet nooit wanneer je ze een keer kunt inzetten. Een groep als de Taak is fictief, maar er zijn in Rusland veel van dergelijke organisaties. Die worden ten behoeve van de beeldvorming soms gedoogd – onder het motto: kijk, er is persvrijheid – maar ondertussen ondergronds fanatiek bestreden. Er worden zo af en toe journalisten die te diep graven vermoord. En echte staatsvijanden zijn nergens ter wereld veilig.’

Juist in die paranoïde wereld komt ook de relatie tussen de beide onderzoekers op scherp te staan. Dat zorgt voor veel vaart in het verhaal, voor extra spanningsvelden.

‘Die dynamiek had het boek echt nodig. Een kiem van wederzijds wantrouwen was al voor vertrek aanwezig bij Steffen en Christine. Zij heeft een overwicht door haar leeftijd, heeft meer ervaring, wordt door de leiding echt als de senior gezien, terwijl hij jonger is, gedurfder en daarnaast natuurlijk het voordeel heeft van het spreken van de taal. Een mooie complexe onevenwichtigheid. Dat is een van de uitgangspunten geweest van het boek. Een idee dat in de loop der tijd is geëvolueerd, is uitgebouwd. Wat ik ook wel mooi vond om iemand zoals Christine, die heel regelvast is, een geheim leven mee te geven, geïnspireerd door een zaak die in Nederland echt gespeeld heeft met iemand die overdag toezichthouder was bij een eerbiedwaardige instelling. Het maakt Christine chantabel, de FSB, de opvolger van de KGB, kan haar daardoor goed in de tang krijgen. Grensoverschrijdend gedrag dat haar kwetsbaar maakt. Je kunt er heel liberale dingen over zeggen, in hoeverre een werkgever iets te zeggen heeft over privékwesties, maar bij bepaalde functies is het nu eenmaal problematisch. Ik veroordeel het overigens niet, gebruik het hier alleen als voorbeeld van een machtsmiddel.’

De kunstenaar Dimitri, die Steffen bij de ondergrondse groep De Taak betrekt, heeft een bancaire achtergrond, trekt zich in het heetst van de strijd eigenlijk terug.

‘In een eerste versie was hij een soort dubbelspion. Maar dat vond ik uiteindelijk toch te clichématig. Hij is degene die de thrillseeking kant van Steffen provoceert. Maar zijn uiteindelijke rol in het plot is nihil. Het was ook niet nodig. En dan moet je geen kunstgrepen gaan uithalen om iemand “uit het verhaal te schrijven” of juist toch een rol in het plot te geven. Het verdwijnen van hem in de ijle lucht, past ook wel bij de setting van het verhaal.’

Het zenden van gepokte en gemazelde ambtenaren moet in dit soort situaties de voorkeur hebben boven het sturen van pennenlikkers die met een flauw rapportje thuiskomen.

‘Je moet in een dergelijke situatie niet bang zijn om in conflict te raken, de grenzen opzoeken. Dat wil niet zeggen dat je ze moet overschrijden, dat maakt je juist extra kwetsbaar. Als advocaat ben ik betrokken geweest bij een grote zaak waar ook de Rijksrecherche zich mee bezighield. Een van mijn medewerkers werd op een gegeven moment gebeld door een rechercheur. Hij verstrekte toen gevoelige informatie aan de rechercheur. Ik vroeg hem waarom hij dat had gedaan en hij antwoordde dat hij ruzie had gekregen als hij had geweigerd. Nou en? Dan krijgen we maar ruzie, zei ik. Als wij als team vinden dat deze informatie niet verstrekt moet worden, omdat we daartoe gerechtigd zijn en het in het belang is van de cliënt, dan doen we het gewoon niet. Zo’n houding moet je je als advocaat, en zeker ook als een dergelijke onderzoeker, wel aanmeten. Als je niet graaft en alleen maar opschrijft wat iemand zegt en conflicten uit de weg gaat, bereik je niets. Steffen gaat daarentegen erg ver. Hij boekt weliswaar resultaten, maar overschrijdt de grenzen, doet dingen die strafbaar zijn, niet alleen in Rusland, ook in West-Europa. Zijn acties zijn voor de spanning in het boek natuurlijk wel goed. Ze zijn daarnaast een mooie voedingsbodem voor een discussie. De dilemma’s die een boek nu eenmaal nodig heeft.’

De staatsveiligheid is een mooie drogreden, een werktuig dat, overigens overal in de wereld, kan worden ingeroepen om bepaalde groepen monddood te maken.

‘Wanneer iets niet bevalt, dan bombardeer je iemand die kritiek heeft op het systeem tot staatsvijand. Op dat moment is er een schijn van legitimatie van tegenmaatregelen. Het einde van de roman heeft iets van wishful thinking. Ik hou van boeken met een bevredigend einde. In die zin wil ik mijzelf en de lezer graag bedienen. En ik vond het ook leuker dat er een soort van oplossing zou komen. Naar mijn idee vergroot dat het leesplezier. Het laatste ietwat “zoetsappige” hoofdstuk is een knipoog. Een beetje James Bond einde. Daar heb ik niet bewust naar gezocht. Je zou het een soort stijlbreuk kunnen noemen. Met de erotische intensiteit in het boek heb ik wel geworsteld. Aanvankelijk zaten er ook seksscènes in, maar die heb ik eruit gehaald, en dat heeft ervoor gezorgd dat er juist meer erotische spanning is ontstaan.’

De oligarch in ballingschap die door de overleden advocaat is bijgestaan, wil niets slechts over Rusland horen.

‘Als de Britse spion die in opdracht van de oligarch een oogje in het zeil houdt, Rusland afkraakt, is de oligarch daar niet van gediend. Russen zijn trots op hun land. Het is behoorlijk ambivalent. Aan de ene kant worden ze door hun vaderland gemaltraiteerd, aan de andere kant blijven ze trots, vaderlandslievend. Er is, afgezien van de politiek, ook veel om trots op te zijn: prachtige steden, schilderkunst, muziek, literatuur.’

‘Het thema van het boek is ook heel erg dubbellevens. Zowel Christine als Steffen, alsook de Britse onderzoeker worstelen ieder op zich ook met verschillende rollen en dilemma’s. Delen van levens die niet naar buiten mogen komen.’

‘Er zit nog meer ambivalentie in het boek. Christine denkt ergens dat sommige leden van de Raad van Europa het geen misdaad vinden om rijke mensen van hun geld te ontdoen, zoals veel van de oligarchen. Daar speelt het huidige Russische regime op in, we mogen ze toch wel een beetje aanpakken ten gunste van de samenleving. Zeker als ze zakendoen die niet het algemeen belang dienen. Maar er zijn genoeg oligarchen die zich in Rusland weten te handhaven, maar dan moet je wel een soort loyaliteit aan het regime laten zien. Toch kan je zo maar alles van de ene op de andere dag worden ontnomen. Rusland is veel in conflict met de Raad voor Europa, krijgen veel uitspraken van het Europese mensenrechtenhof tegen. Je zou denken dat de Russische regering zich er niets van aantrekt, maar als er schadevergoedingen moeten worden betaald, dan doet ze dat ook. Overigens worden andere Europese landen ook soms veroordeeld, inclusief Nederland. Er zijn behoorlijk pijnlijke uitspraken geweest over het Nederlandse vreemdelingenrecht en bijvoorbeeld de behandeling van gevangenen in de extra-beveiligde inrichting in Vught. Dus laten we niet doen alsof we de morele wijsheid in pacht hebben.’